Waterplanten en milieu 2018-12-06T11:14:32+00:00

Waterplanten en milieu

De vestiging van een gevarieerde vegetatie van water- en oeverplanten is een belangrijk doel in het hedendaagse waterbeheer. Ger Boedeltje heeft niet alleen de expertise in huis om inventarisaties van water- en oeverplanten te verrichten, maar ook om de kwaliteit van water en waterbodems vast te stellen en de sleutelfactoren te bepalen die de vestiging van deze soorten mogelijk maken.

Voorbeelden van projecten

Rijkswaterstaat
Onderzoek naar de effecten van de verwijderen van voedselrijk slib op het voorkomen van kroosdekken en de vestiging van ondergedoken waterplanten. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in H2O.

Rijkswaterstaat
Onderzoek naar de effecten van slibophoping en hoge nitraatconcentraties op de groei van ondergedoken waterplanten. Rossig fonteinkruid als voorbeeld.

Waterschap Rijn en IJssel
Het bepalen van de effecten van de inlaat van Twentekanaalwater op de waterkwaliteit en plantengroei in het stroomgebied van de Dortherbeek

Waterschap Rijn en IJssel en Waterschap Vallei en Veluwe 2013-2014
Analyseren van vegetatie- en waterkwaliteitsgegevens om de sturende factoren voor waterplanten te ontdekken.
Enkele resultaten uit dit onderzoek zijn:
• stuurvariabelen voor de samenstelling van de watervegetatie zijn fosfaat, ammonium, nitraat, alkaliniteit, zuurgraad en afvoerloosheid (fig. 1);
• de ecologische kwaliteit op basis van waterplanten (uitgedrukt in de Ecologische Kwaliteits Ratio, EKR) van beken wordt negatief beïnvloed door afvoerloosheid. In beken die een permanente stroming kennen is de EKR hoger dan in wateren waar het water stagneert en/of waarin periodieke droogval optreedt;
• de negatieve invloed van afvoerloosheid in beken hangt in het bijzonder samen met de ontwikkeling van draadwierlagen en drijflagen van algen en van kroos;
• een hoge bedekking van Klein en Veelwortelig kroos hangt vooral samen met hoge concentraties fosfaat (fig. 2);
• de meest kritische waterplanten (m.n. Rode Lijstsoorten) zoals Drijvende waterweegbree komen voor een lage alkaliniteit en lage concentraties ammonium, nitraat en fosfaat; Schedefonteinkruid, Grof hoornblad en Gekroesd fonteinkruid daarentegen bij zeer hoge concentraties ammonium, nitraat en fosfaat en bij een hoge alkaliniteit;
• de ecologische kwaliteit van waterflora kan in verschillende watergangen verbeterd worden door het bevorderen van stroming en het verminderen van afvoerloosheid en droogval.

Een samenvatting van het rapport “Waterplanten in relatie tot waterkwaliteit in de Achterhoek, Gelderse Vallei en op de Veluwe” is in 2015 verschenen in H2O.

Voorbeelden van figuren uit het rapport:

Figuur 1. CCA-diagram met sturende factoren voor de vegetatie(opnamen) in wateren van Vallei en Veluwe.

Figuur 2. De relatie tussen de ecologische kwaliteit (EKR) en fosfaatconcentratie en tussen de bedekking van Klein kroos (Lemna minor) en de fosfaatconcentratie.

Waterschap Vechtstromen 2018

Op verzoek van Waterschap Vechtstromen is in 2018 een analyse uitgevoerd van de beschikbare KRW-vegetatieopnamen (periode 2008 – 2016) in relatie tot de waterkwaliteit en enkele andere abiotische factoren voor zowel de water- als oeverzone.

Uit de uitgevoerde analyse blijken in het open water de volgende stuurfactoren van belang:

1) chloride en de nutriënten stikstof en fosfor, en de invloed van puntlozingen en effluent hierop;

2) schaduw als gevolg van de aanwezigheid van bomen en struiken;

3) stroomsnelheid;

4) watervoerendheid, peil en verstuwing.

In de oeverzone zijn, in volgorde, de volgende stuurfactoren van belang:

1) beekkenmerken als breedte, diepte en oeverbeïnvloeding;

2) schaduw als gevolg van de aanwezigheid van bomen en struiken;

3) hoge stikstofconcentraties en de invloed van puntlozingen en effluent hierop;

4) verstuwing, tegengesteld peil, en de aanwezigheid van detritus en slib;

5) schoningsfrequentie en landgebruik.

Het belang van elke stuurvariabele verschilt per beek of groep van beken. Zo hebben in de Bornse Beek de nutriënten de sterkste invloed, in de Elsbeek en het Holslootdiep is die invloed er juist niet (fig. 3). De Glanerbeek is weliswaar beschaduwd, maar heeft veel te hoge stikstofconcentraties. De Sleenerstroom heeft veel bijzondere soorten, maar daar zijn de oevers onnatuurlijk en niet beschaduwd. Zo zijn uit figuur 3 voor elke beek de belangrijkste stuurvariabelen af te leiden.

Figuur 3.  Ordinatie van vegetatieopnamen (in kleuren van de vegetatiegroepen) en omgevingsvariabelen in het eerste ordinatievlak van Canonical Correspondence Analysis (CCA). Bij elke opname staat de beekcode (bijv. BO = Bornsebeek, ELS = Elsbeek, HOL = Holslootdiep).